Ik heb geen tand door m’n lip, nee, een gebit door m’n beide lippen. M’n rechterwang ziet er uit als die van een hamster met de voorraad voor de komende 3 jaar in z’n bek. M’n kaakgewricht wordt gemaskeerd door een tweede zwelling en maakt rare geluiden. De derde zwelling zit op m’n kin waar een gapend gat is ingeslagen. M’n neus heeft wat schaafwonden en tussen m’n neus en bovenlip prijkt een heuse snor van gestold bloed. Dan uiteraard nog wat ontvelde vingers, blauwe plekken, schaafwonden, builen, etc. Helden in films die veel zwaarder getroffen worden door rondvliegende vuisten, voeten, allerlei wapens en kogels zien er de volgende scene al weer een stuk beter uit, nou, ik niet. ’t Heeft ook voordelen denk ik maar. Eten gaat niet dus dat wordt beperkt tot de meer vloeibare stoffen als joghurtjes en vla enzo. Drinken gaat prima door een rietje. Roken gaat ook niet met twee gehavende, opgeblazen lippen. Zoenen moet ik straks weer opnieuw leren. Maar goed, m’n tanden en kiezen zitten nog op hun plek, praten en ademen gaat prima. Met de vreemde blikken en alle geweldige leuke grappige opmerkingen leren we ook wel leven. Dat van mij gaat tenminste over. Geen stoer vechtpartijtje, maar een gruwelijke doodsmak met de fiets. De fiets is dood, de stoeptegels hebben gewonnen, Duke was geschrokken, ik baalde van de slechte val.
