Sailing, final chapter

Hey Marcel, Rotterdamse vriend (toegegeven: er zijn best leuke R’dammers…je moet ze wel heel goed zoeken of toevallig tegenkomen) en wandelende motorencyclopedie. Ik heb de zomer bijna overleefd zonder motorfiets. De Jellinek is aardig tegen me. Maar ik heb op speciaal verzoek van jou (en ter irritatie van vele anderen) het zeilverhaal afgemaakt. Dus ga me niet vertellen dat je niet alles gelezen hebt! Het spijt me dat het na de dolkomische chaotische eerste dag wat saai werd, maar mijn kinderen lezen dit ook. Ik kon moeilijk uitgebreid ingaan op de Atlantische orgies, de haaigevechten, en de Somaliërs die niet voor de koffie kwamen. Voor dat laatste hadden we een plan liggen: Ik zou me al rillend verstoppen, J zou ze de oren van het hoofd lullen met z’n slappe geouwehoer, en R zou ze zonder wat te vragen meteen slaan en ik kan je verzekeren…dat wil je echt niet. Lees dit maar eens.).
Enfin, final chapter. Had ik al verteld over….

Dag 17 zaterdag TAXIEIEIEIE!!!!!!!!!
We worden door R om een uur of zeven gewekt en R heeft gisteren verse broodjes gehaald. We ontbijten en maken ons klaar voor wat R een onvergetelijke trip heeft omschreven. Nou, onvergetelijk werd het! Zoiets beleef je dan ook niet vaak. We nemen afscheid van Rita en om even voor acht stappen we het hotel uit en houden een taxi aan, tot dusverre, no spang! R wuift ons nog na en met weemoed verdwijnt hij uit ons gezichtsveld. De taxirit kost overigens 5000 surinaamse guldens, dus dat valt nogal mee.

Dé bezienswaardigheid van Paramaribo
Dé bezienswaardigheid van Paramaribo

De taxi komt aan bij de taxibusjes die ons naar Albina moeten brengen. Jezus, wat is dit? Zijn we popsterren en willen ze allemaal handtekeningen van ons of worden we gezien als criminelen die wellicht zijdelings een of ander vaag regime hebben laten vallen? Schreeuwende en graaiende Surinamers belagen onze taxi.

We lachen wel maar zijn NIET blij dat we weg moeten!
We lachen wel maar zijn NIET blij dat we weg moeten!

Ik vrees nog eerst dat we direct in de boeien worden geslagen, maar we worden belaagd door een soort ‘proppers’ die vechtend en kijvend allemaal willen dat we met HUN taxi meerijden. Als wij ze hun gang laten gaan, ben ik bang dat de bagage verdeeld gaat raken over zo’n 20 taxibusjes, maar we worden toch enigszins overweldigd door het verbale gekrakeel. We voelen ons niet echt op ons gemak, maar de taxichauffeurs werken weer samen met die proppers, dus de taxichauffeur wijst ons een man aan die onze bagage naar zijn busje zal brengen. Nu denk je bij het woord proppers natuurlijk aan glibberige mannetjes die op vriendelijke doch doordringende wijze je proberen te verleiden om gebruik te maken van de faciliteiten die zij bieden, zoals dat ook in plaatsen als Salou, Playa de Aro en nog meer van die badplaatsen gebeurt. Nee, het een propper is wel een dergelijke functie, maar je moet het vooral ook letterlijk nemen, blijkt achteraf. We worden omringd door mensen die óf hun waren aanprijzen, óf bedelen, óf sneaky proberen om ons toch in een andere taxi te krijgen. We gaan het taxibusje dat ons is aangewezen in en moeten 20.000 suri per persoon betalen. H poogt nog over dit bedrag te onderhandelen, maar J betaalt het geld, want hij heeft eigenlijk geen zin in dat gezeik, met wellicht de mogelijkheid weer op straat te komen te staan en dan weer belaagd te worden door die meute. We zien ook dat onze bagage inmiddels in het busje wordt geplaatst. Pffft, gelukkig, we zitten en hebben al onze bagage nog. Nou, nu maar gauw op weg dan, weg van deze massahysterie. Missss!!!!!! We zitten (niet echt comfortabel trouwens) om 08.00 uur in het busje (8 persoons) en de proppers storten zich inmiddels op andere mensen die aankomen. De busjes gaan pas rijden als ze vol zijn. Op de achterste bank van ons busje zit een vervelende, meurende surinamer die zeurt dat hij wil dat we hem meenemen naar Nederland. Nou, hij komt Nederland dus niet in vrees ik, want hij is al zo stoned als een garnaal. Hij praat onverstaanbaar en we besluiten dus maar om verder geen aandacht aan hem te schenken. Op de bank voor ons zit een surinaamse vrouw met haar dochter en vermoedelijk haar moeder, die inkopen hebben gedaan voor een weeshuis en dat allemaal onder de bank proppen, onder hun benen, op schoot en overal waar maar rondom hen een plekje is te vinden. Proppen dus. Er worden nog steeds goederen achter in het busje gepropt en ik vermoed dat we straks vanwege het gewicht niet eens zullen kunnen rijden. Er wordt mij gevraagd of ik voorin naast de chauffeur wil plaatsnemen op de bijrijderstoel, welk aanbod ik in dank aanvaard, omdat de bank waar ik en H op zitten verre van gemakkelijk zit. Ik denk, dan heeft H wat meer ruimte. Wederom mis! Naast H neemt een snelle, met zonnebril getooide, surinamer plaats PLUS nog drie koelboxen met een inhoud van ruwweg een kuub per stuk! Ik heb medelijden met H. Om ongeveer kwart voor negen is de bus eindelijk vol, maar dan bedoel ik ook echt vol! De chauffeur die we hebben (volgens mij eentje die weer in dienst van de propper werkt) Begint gelukkig te rijden en ik ben blij dat we deze plek met hysterische taferelen kunnen verlaten, Het is echter pas het begin van een dollemansrit. De jongen heeft waarschijnlijk te veel formule 1 wedstrijden gekeken en rijdt als Schumacher door de straten van Paramaribo. Ik heb gelukkig een redelijke stoel en wel het nadeel besef ik dat ik en de chauffeur de eerste klap op moeten vangen. Mijn veiligheidsriem kan ik niet gebruiken, daar deze is aangewend om goederen die dreigen om te vallen enigszins op hun plaats te houden. We rijden door de sloppen van Paramaribo en stoppen nog bij een ‘huis’ om nog meer troep in te laden. Onder het motto: ‘er kan nog meer bij’ wordt er nog gestouwd en gepropt. Maar hierna rijden we over de Wijdenboschbrug toch eindelijk richting Albina, een traject van zo’n kleine 200 km. Ik hoop dat H zich in zijn benarde positie kan handhaven. De weg tussen Paramaribo en Albina is geasfalteerd, maar dat is dan wel een héééééééle lange tijd geleden gebeurd. De weg zit vol gaten en kuilen die de chauffeur meestal allemaal weet te ontwijken. Deze weg zou volgens mij geheel afgesloten moeten worden of er zou een maximum snelheid van 20km/u voor moeten gelden. Met zo’n ruime 100 km per uur, kan onze chauffeur het ook! Het rijbewijs zal waarschijnlijk zijn gebaseerd op de kennis van kuilen en gaten (Desi’s Surinaams groot kuilen en gatenboek), want als hij weer een korte periode met zo’n hoge snelheid heeft gereden, zigzaggend van de linker naar de rechter weghelft (wat het tegemoetkomend verkeer trouwens ook doet en leidt tot angstaanjagende taferelen) staat hij af en toe boven op zijn rem om stapvoets door een gedeelte met kuilen en gaten te manoeuvreren. Soms besef ik dat hij zeker niet ‘cum laude’ zijn rijvaardigheids bewijs heeft gehaald, want dan raggen we door een paar kuilen die hij weer even vergeten is en ik me aan mijn stoel moet vastklampen om niet volledig gelanceerd te worden. Ik vraag mij af hoe het H achterin vergaat, maar ik kan door de bomen het bos niet zien, want mijn zicht naar achteren wordt geblokkeerd door allerlei marktwaren en ik durf eigenlijk ook niet naar achteren te kijken omdat ik bang ben dat ik dan kuilen mis waardoor ik door de bus wordt geslingerd. Plotseling schreeuwt de chauffeur: “snake!!” en rijden we een gigantische groengele slang van zo’n dikke drie meter lengte aan flinters. Na een kleine drie uur komt aan deze rit (waarin we op het laatste stuk nog een passagier meenamen en ik geen flauw idee heb waar ze die nog tussen hebben gepropt) een einde. De stangen die de koelkisten bij elkaar hielden zijn vlak voor de finish ook gesneuveld, maar men weet achterin de zaak handmatig nog overeind te houden. We naderen de haven en we worden getrakteerd op wederom een hysterische menigte die ons busje belaagt om ons met de boot (nou ja, boot is wel een erg groot woord voor deze dingen) naar de overkant te brengen. Ik spreek direct onze chauffeur aan, douw hem 5000 suri in zijn hand en zeg hem: “Je brengt ons nu eerst naar de MP waar we ons paspoort moeten stempelen en daarna moet je er zorg voor dragen dat wij ongeschonden op een boot naar de overkant worden gebracht, zonder dat we belaagd worden door weer allerlei droeftoeters die ons zowat de kleren van het lijf trekken.” Hij kijkt naar het geld en belooft mij dit te zullen regelen. Ik ben weer wat gerust gesteld. De man van de MP (douane) is een uiterst rustig en vriendelijk mannetje, wij geven hem de door R meegegeven verklaringen waarom we niet ingeklaard zijn bij binnenkomst in Paramaribo en is zeer medewerkend. We kunnen alle stempels krijgen die we maar willen, volgens mij wil hij ze ook nog wel voor ons inkleuren als we hem dat zouden vragen. We gaan weer richting haven en er steekt een man pal voor onze auto over, het slijm hangt uit zijn mond en zijn broek houdt hij met zijn handen vast omdat die anders van zijn kont zakt. Een triest gezicht. Later hoor ik van H die achterom keek dat zijn kinderarmpje uit zijn broek hing. Wat een narigheid hier. Ik wil zo gauw mogelijk naar de overkant, naar Saint-Laurent-du Maroni, de landingsplaats van onze boot in het franse Guyana Zonder al te veel gezeur en zonder verder belaagd te worden door andere bootproppers weet onze chauffeur ons naar een boot te leiden (zal ook misschien wel in dienst van de propbaas in Paramaribo werken vermoed ik.

en droog blijf je ook niet bij zo'n oversteek
en droog blijf je ook niet bij zo'n oversteek

De kosten voor de overtocht bedragen 15.000 suri guldens per persoon. We bereiken de overkant , passeren de douane en lopen met onze bagage richting een straat waar de busjes richting Cayenne staan. Het gaat hier gelukkig wat geordender en alle passagiers betalen 30,50 euro voor hun trip naar Cayenne, een trip van een kleine 300km over in ieder geval goede wegen. Tegen half vier bereiken we na een rustige trip Cayenne en nemen van daar nog een taxi naar de luchthaven die ons 25 euro kost. Eindelijk op het vliegveld. We checken in voor de vlucht van half zeven die ons in ongeveer 8 uur naar Parijs zal brengen. Uiteraard landen we weer op het verkeerde vliegveld voor de laatste vlucht van Parijs naar Amsterdam….we nemen maar weer de bus……25 uur na aanvang van onze terugreis zijn we thuis, vermoeid, maar wel met een hele ervaring rijker.

2 gedachtes over “Sailing, final chapter

  1. Marcel's avatar Marcel 13/08/2009 / 07:25

    Hé Har,

    Natuurlijk heb ik alles gelezen…Lang leve de RSS-feeds. Jammer dat het avontuur met de Josina alweer aan het einde is. Toch mis ik volgens mij nog één mooi verhaal? De voorzet heb je gegeven in Sailing…just day 1.
    Waarom lag de Josina nu uiteindelijk half onder water?

    Greetz!

  2. jaguhar's avatar jaguhar 13/08/2009 / 17:27

    R verbleef na ons vertrek nog een week of drie in Suriname voor de verschillende klanten die één- of meerdagen tripjes hadden geboekt, dat ging nog goed. Daarna is ie ongetwijfeld naar de Aves of ABC eilanden afgereisd voor de volgende klanten. R is een verdomd goede schipper maar had met die trips vaak te maken met onervaren ‘bemanning’. Je moet dan èn die cat in je eentje besturen, èn die mongolen op je boot die alleen maar in de weg lopen in de gaten houden en ze ook nog eens entertainen. Hij was op het rif gelopen, ik weet niet meer waarom. De kaart zal niet geklopt hebben, er zullen geen boeien in het water hebben gelegen, hij zal de zon niet in de rug hebben gehad waardoor hij het rif ook niet ‘op het oog’ kon zien, moe en/of afgeleid door ’n lekker ding, maar hoe het ook zij…het was gebeurd en als je op het rif loopt kom je er echt niet zomaar af. Hij heeft het nog geprobeerd met als enige resultaat een gehavend lijf door het scherpe rif.
    Toen R ons die foto stuurde heb ik echt 40 minuten vol ongeloof naar het scherm zitten staren….het deed ècht pijn de Josina zo te zien. Maar de foto past goed bij het verhaal van dag 1.

Plaats een reactie